Artikel 6: Straffen

  1. (a) In het algemeen zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de wet, dan wel met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging, of waardoor de belangen van de vereniging worden geschaad.
  2. (b) Tevens zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de wedstrijd-bepalingen, alsmede met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de sportbond of waardoor de belangen van de sportbond, dan wel van de sport in het algemeen worden geschaad.
  3. Indien de algemene vergadering een Tuchtreglement heeft vastgesteld, geschiedt de behandeling van overtredingen met inachtneming van het bepaalde in het Tuchtreglement en geschiedt de beoordeling en bestraffing van overtredingen door de organen, die in het Tuchtreglement daartoe zijn aangewezen. Geschiedt de behandeling door een tuchtcommissie en door een commissie van beroep dan zijn deze als organen van de vereniging te beschouwen.
  4. (a) Daargelaten de bevoegdheid van de sportbond om overtredingen, als bedoeld in het eerste lid, onder (b) te bestraffen, is het bestuur bevoegd om overtredingen te bestraffen, tenzij het Tuchtreglement een ander orgaan aanwijst.

    (b) Indien in een Tuchtreglement geen ander orgaan wordt aangewezen, kan een lid van een opgelegde straf in beroep gaan bij de algemene vergadering, met inachtneming van het in het Tuchtreglement of anders van het in het zevende lid, van dit artikel bepaalde.

  5. In geval van een overtreding, als bedoeld in het eerste lid onder (a), kunnen de volgende straffen worden opgelegd:

    - berisping;

    - boete tot een maximum van het bedrag overeenkomstig de jaarlijkse contributie van een 18-jarige;

    - schorsing;

    - royement (ontzetting uit het lidmaatschap).

  6. Een schorsing kan ten hoogste voor de duur van één jaar worden opgelegd. Gedurende de periode dat een lid is geschorst, kunnen de aan het lidmaatschap verbonden rechten niet worden uitgeoefend, met uitzondering van het recht om in beroep te gaan.
  7. (a) Royement kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

    (b) Nadat het bestuur tot royement heeft besloten, wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk door middel van een brief met bericht van ontvangst met opgave de reden(en) van het besluit in kennis gesteld.

  8. (a) Van een door de vereniging opgelegde schorsing of royement kan de betrokkene binnen een maand na ontvangst van deze kennisgeving van het bestuur in beroep gaan. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

    (b) Van de overige door het bestuur van de vereniging opgelegde straffen staat geen beroep open.